Door Tobias Woldendorp en Ritsert Huijsman
Over regels, ontwerp en de noodzaak van contextgericht denken
Na onze eerste verkenning van sociale veiligheid en de rol van licht, bespreken we in dit tweede blog de subjectieve aspecten van veiligheid aan de hand van een ontmoeting met David Kloet (landschapsarchitect en partner bij Karres en Brands) door Tobias Woldendorp (senior adviseur RCE bij WoldendorpWildervank) en Ritsert Huijsman (lichtontwerper en design manager bij Studio DL Lighting Design). Waar blog 1 vooral de complexiteit en gelaagdheid van sociale veiligheid adresseerde, gaat dit vervolg over de vraag hoe we daar als ontwerpers mee omgaan in de praktijk.
De verleiding van regels
Sociale veiligheid wordt vaak benaderd via regels, richtlijnen en handboeken. Begrijpelijk, zeker wanneer incidenten de aandacht domineren. Ze vragen om actie, om houvast, om duidelijkheid. Maar juist daarin schuilt het risico van een te snelle vertaalslag naar generieke oplossingen.
Regels zijn per definitie eendimensionaal. Ze komen voort uit specifieke situaties en worden vervolgens veralgemeniseerd. Daarmee verliezen ze hun context. Wat resteert is een set voorschriften die ogenschijnlijk houvast biedt, maar zelden het volledige verhaal vertelt.
In de praktijk zien we dat veel partijen, van gemeentes tot beheerders, zich hier sterk op baseren, waardoor omgevingsgericht denken wordt vermeden en kansen voor integrale oplossingen onbenut blijven. Richtlijnen van onder andere CROW structureren de openbare ruimte voor veilig gebruik, maar leiden ook tot standaardisering. Wat controleerbaar is, krijgt voorrang. Wat moeilijker meetbaar is, loopt het risico een blinde vlek te worden: beleving en sociale veiligheid.
De kern van het gesprek: in geen enkel handboek staat expliciet dat je altijd naar het grotere geheel moet blijven kijken. Terwijl dat juist de essentie is van een sociaal veilige leefomgeving.
Van optelsom naar samenhang
Een belangrijk inzicht uit het gesprek is dat ontwerpen geen optelsom is van regels. Het is ook geen technocratisch proces waarin alle variabelen lineair kunnen worden opgelost, laat staan standaardoplossingen in een matrix nalopen.
Achter elke regel schuilt een intentie. Wie die intentie niet begrijpt, loopt het risico om wel ‘veilige’ oplossingen te realiseren, maar geen prettige of leefbare ruimte. Of scherper: een ruimte die voldoet aan alle losstaande eisen, maar waarin niemand zich echt op zijn gemak voelt.
Dat zien we bijvoorbeeld in verkeerskundige benaderingen waarin functies strikt worden gescheiden, zoals voetgangers en fietsers. Vanuit een juridisch oogpunt geredeneerd logisch, maar in de praktijk kan het juist leiden tot minder levendigheid en minder sociale controle.
Het spanningsveld tussen het ‘harde’ (regels, normen, meetbaarheid) en het ‘zachte’ (beleving, intuïtie, context) is fundamenteel. David Kloet: “In de praktijk wint het harde vaak. Het is toetsbaar en bestuurlijk aantrekkelijk. Maar juist het zachte maakt dat een plek als prettig wordt ervaren.”

De landschapsarchitect als verbinder van belangen, schaalniveaus en tijd
In die complexiteit vervult de landschapsarchitect zijn rol. Niet als vormgever die esthetiek toevoegt, zoals de verwachting nog vaak is, maar als verbinder van perspectieven. Een spil in een netwerk van specialisten, stakeholders en gebruikers.
De landschapsarchitect werkt met regels uit het verleden, maar ontwerpt voor een toekomst die zich nog moet bewijzen. Dat vraagt om interpretatie, om het leggen van verbanden en om het durven afwijken wanneer de context daarom vraagt.
Of, zoals David Kloet zegt: “Je maakt vandaag een ontwerp voor straks, op basis van inzichten van gisteren. Dat vraagt om meer dan toepassen, het vraagt om duiden en empathisch inleven in de vraag achter de regel.”
Secured by design, vanzelfsprekendheid als kwaliteit
Een illustratief voorbeeld is de toepassing van ‘secured by design’, ook wel Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED) genoemd. De toegang tot een gebied wordt niet beperkt door zichtbare, afschrikwekkende beveiligingsmaatregelen, maar juist door subtiele ingrepen die vanzelfsprekend aanvoelen.
David Kloet: “We werken aan veel inpassingsopgaven waarbij we inzetten op het subtiel beperken van de toegankelijkheid. Bijvoorbeeld voor overheidsgebouwen, maar ook het autoluw houden van een woonbuurt. Dat betekent dat je zo ontwerpt dat er een logische aansluiting is op de omgeving, bijvoorbeeld met banken, groen of hoogteverschillen in plaats van zichtbare hekken of paaltjes. Door het in de ontwerpfase mee te nemen voelen deze elementen voor veel mensen als een vanzelfsprekend onderdeel van de omgeving; sommigen hebben zelfs het idee dat ze er altijd al waren. Juist daarin ligt de kracht: veiligheidsmaatregelen die niet als zodanig worden herkend, maar wel degelijk effectief zijn.”
Het tegenovergestelde zien we bij hekken en barrières. Die kunnen fysiek afsluiten, maar versterken vaak juist het gevoel van onveiligheid. Ze maken expliciet dat er iets te vrezen valt.
Ook bij andere veiligheidsopgaven, zoals terrorismebestendigheid, ligt de uitdaging in het vinden van die balans: maatregelen die werken, zonder dat ze het gebruik en de beleving domineren.
Schaal en structuur
Sociale veiligheid ontstaat niet op detailniveau alleen. Ze begint op het niveau van stedenbouw en landschap. Hoe routes lopen, waar functies zich concentreren en hoe overgangszones zijn vormgegeven, bepaalt of mensen elkaar ontmoeten of juist vermijden.
Projecten uit het verleden laten zien wat er gebeurt wanneer die samenhang ontbreekt. In de Bijlmermeer bijvoorbeeld leidde de combinatie van grootschalige infrastructuur en open ruimte tot een omgeving waarin gebruikers zich verloren konden voelen. Te veel ruimte, te weinig sociale verankering.
Daartegenover staat het principe van getrapte collectiviteit: een opbouw van privé naar collectief naar openbaar, waarin geleidelijke overgangen zorgen voor sociale controle en herkenbaarheid.
Onder druk van de actualiteit
Actualiteit kan de balans verstoren. Incidenten, politieke druk of maatschappelijke onrust kunnen ertoe leiden dat één aspect dominant wordt. Vaak veiligheid, begrijpelijk, maar zelden voldoende.
De neiging ontstaat om snel te standaardiseren en alles vast te leggen. Maar juist het volledig dichtregelen van de openbare ruimte kan ten koste gaan van gebruikskwaliteit voor anderen. Kinderen spelen bijvoorbeeld vaak liever op plekken die niet volledig zijn gedefinieerd of geprogrammeerd.
De uitdaging is om die druk te erkennen, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Dat vraagt ook iets van opdrachtgevers en beleidsmakers. Niet het voorschrijven van oplossingen, maar het stellen van de juiste vragen.
De landschapsarchitect zou niet alleen gestuurd moeten worden op meetbare uitkomsten, maar bevraagd op afwegingen.
Het Beoogd Sociaal Veilig Systeem als denkkader
Binnen deze context krijgt het Beoogd Sociaal Veilig Systeem (BSVS) meer betekenis. Niet als nieuwe set regels, maar als manier van denken. In een perifeer gebied luistert het nauw welke routes verlicht worden en welke niet. Oftewel:
Het BSVS helpt om vooraf expliciet te maken wat je wilt bereiken:
- Voor wie is de plek of route bedoeld?
- Op welke momenten?
- Onder welke omstandigheden?
- En kunnen we routes naast opwaarderen dan ook afwaarderen om schijnveiligheid te voorkomen?
En vooral: hoe verhouden die antwoorden zich tot elkaar?
Het dwingt tot samenhang, tot het verbinden van harde en zachte waarden en tot het bewust omgaan met de spanning tussen verleden, heden en toekomst.
Vooruitblik
In dit gesprek werd ook een lacune zichtbaar. Veel kennis over sociale veiligheid is vertaald naar richtlijnen, maar de diversiteit in beleving van verschillende gebruikersgroepen is daarin nog beperkt vertegenwoordigd.
Dat roept nieuwe vragen op. Wie definiëren we eigenlijk als ‘de gebruiker’? En welke perspectieven blijven onderbelicht? In de volgende blog verkennen we dit verder, met specifieke aandacht voor hoe verschillende gebruikers de openbare ruimte ervaren en waarderen.





