Dit blog is op te vatten als een persoonlijke voorstudie voor het hoofdstuk Het nieuwe bouwen met de natuur als leidraad, dat is verschenen in het boek Wild Amsterdam – De natuur van de stad ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum van de KNNV-afdeling Amsterdam (R. Biersma, G. Timmermans, G. Muller, F. van der Heide, P. Wetzels, S. Leefsma & T. Woldendorp). Het boek is op 26 januari 2026 verschenen bij Uitgeverij Noordboek.
Tijdens de voorbereiding kwam er zo’n rijke oogst aan ideeën en beelden naar boven, dat ik dit niet verloren wilde laten gaan. Het doet daarnaast recht aan de ontwerpers, kunstenaars en fotografen die belangeloos materiaal hebben afgestaan, en aan geïnterviewden.
Eind 2024 zaten we midden in een vervreemdende fase. Eerder regeringsbeleid had ervoor gezorgd dat bij nieuwbouw vleermuizenkasten, gierzwaluwstenen en mussennesten gangbare en geaccepteerde zaken waren geworden. Deze diervriendelijke voorzieningen waren zelfs in het bouwbesluit opgenomen.
Maar Mona Keijzer, de nieuwe minister van Woningbouw en Ruimtelijke Ordening, vond die ingebouwde nesten allemaal maar onzin. We bouwen immers voor de mensen, al die natuurregelingen werken louter vertragend, waren haar woorden. Zij wilde de wetgeving van haar voorganger Hugo de Jonge terugdraaien.
Maar daar had de minister buiten de waard gerekend. Veel bouwbedrijven hadden het natuurvriendelijk bouwen inmiddels al als credo in hun bedrijfsethiek opgenomen. Heijmans en Van Wijnen bijvoorbeeld, gaven te kennen gewoon met kasten en nesten door te gaan.
En inmiddels heeft ook de wal het schip gekeerd. In de Tweede Kamer is – weliswaar met één stem verschil – het antivogelbesluit van de minister teruggedraaid.
De afgelopen vijfentwintig jaar is er veel aandacht geweest voor het vergroten van biodiversiteit in de stad. Een korte geschiedenis in herinnering: zelf heb ik als ontwerper van de Vierde Nota Extra (Vinex) gewerkt aan het Wateringse Veld in Den Haag. Landschapsarchitecten namen daar het voortouw naar een nieuwe manier van ontwerpen met ecologie als uitgangspunt. Zo werden er bezoeken afgelegd aan het Morra Park bij Drachten, waar vloeivelden met biezen een waterzuiveringsysteem vormden, een systeem dat gekoppeld was aan de buurt. Dit systeem vormde een voorloper voor veel nieuwe ontwikkelingen. Denk daarbij aan de hoogbouw tegen de ring in Amsterdam-Noord (Parkstrook langs de A10). Uit deze Vinex is IJburg voortgekomen: IJburg, waar onderwaterbanken voor driehoeksmossel en huismussennesten in gevelstenen uit zijn voortgekomen.
Eerder, en dan hebben we het over 1975, waren er landelijk ook al pogingen om op een andere manier met groenvoorzieningen om te gaan. Natuur uitschakelen, natuur inschakelen van Louis Le Roy is een bekend voorbeeld van holistisch experimenteren met verandering. Maar de natuur is dan nog geen nog ontwerpmiddel, zoals het vandaag de dag wél is. Een verkenning in Amsterdam. Neem de tenders (ontwerpprijsvragen) tussen 2015 en 2024. De gemeente zette bouwenveloppes uit waar marktpartijen op konden intekenen. Om zich te onderscheiden van andere partijen zochten projectontwikkelaars de randen van het mogelijke op. Zo won geregeld een partij, waar naast de projectontwikkelaar B4L en de architect, landschapsarchitecten en ecologen meedachten. Zoals bij de gewonnen tender Juf Nienke, een bijzonder houten wooncomplex als entree bij het Centrumeiland IJburg. DS-landschapsarchitecten ontwierp samen met architect SEARCH/Rau, speciaal een vleermuizenhotel op dit scharnierpunt tussen stad en landschap[i].
[i] Building 4 life won in december de Zuiderkerkprijs. Met als landschapsarchitect Dijk &Co en architecten FARO en Michael van Bergen. Van meet af aan was ik betrokken op het aspect sociale & culturele duurzaamheid.

Ook bij de gewonnen tender De Koffiefabiek in Amstel III van projectontwikkelaar Lister, waar kantorengebied aan de rand van de Amstelscheg wordt getransformeerd tot een circulair vormgegeven woongebied, is gebouwd volgens een natuurvriendelijk concept. Dit kantorengebied krijgt straks volop broedkansen voor soorten als zwarte roodstaart, gierzwaluw en huismus. In de gevels zijn broedlocaties voor de dwergvleermuis aangebracht.

Maar echt interessant wordt het met de door de landschapsarchitecten opgestelde ecologische visie. Langs het water komen gele lissen, aantrekkelijke planten voor meervleermuizen.
De Groene warande biedt nestgelegenheid voor Turkse tortel en foerageergelegenheid voor vlinders als Boomblauwtje. Ook de bosuil wordt bediend met nestkasten aan het gebouw. Niet vreemd als je bedenkt dat Volkstuinencomplex Amstelzicht ongeveer de buurman is. De vele besdragende struiken in de luwte van het binnengebied bieden in het winterhalfjaar volop voedsel voor huismus, merel en groenling.
Waar dienen we op te letten bij natuurinclusief bouwen, of zoals sommigen in het veld het liever noemen: natuurvriendelijk bouwen?
Ten eerste vergt het een andere manier van denken. De stad niet meer te zien als barrière, maar als een rotsmassief. Zo is een kantoortorenrijk gebied als de Zuidas een biotoop waar slechtvalken graag broeden. Net als in het wild leggen ze een paar eieren hoog op een richel. Dat de kantoormens dit niet kan aanzien op de achttiende verdieping is een ander verhaal. Er moesten slechtvalkkasten komen. Het monitoren van broedgedrag heeft bijgedragen aan de populariteit van de slechtvalk in Amsterdam.
Ook een spoordijk hoeft geen obstakel te zijn. Zo’n dijk kan een belangrijke verbinding vormen tussen landschappen en daarmee gepaard gaande biotopen. Te denken valt aan kleine zoogdieren als veld- en woelmuizen, aan marterachtigen als hermelijn, wezel en ja, zelfs das en vos. Ook begeleidende watergangen van een spoordijk spelen een rol. Denk daarbij aan ringslangen, die de barrières volgen en als koudbloedige dieren aan de zonnige zijde gebruik maken van opwarmplekken.
Waar moet je nog meer op letten bij natuurvriendelijk bouwen? Je moet eigenlijk overzicht hebben van alle aspecten die een rol spelen in het plannen van openbare ruimte en gebouwen. Dat we de komende jaren te maken krijgen met het tegengaan van hittestress is een belangrijke component.
Ten derde moet je bewustzijn bij burger en bij bestuur ontsluiten. Dat er in 1991 een boek als Haring in het IJ, de verborgen dierenwereld van Amsterdam verscheen was toevallig. Er was kennis over de dierenwereld in en om Amsterdam, maar er was nog geen platform vacant. Geert Timmermans en Martin Melchers begonnen met het vastleggen welke vissen in de Amsterdamse wateren voorkwamen en welke soorten er voorkwamen in de verstedelijkte omgeving. Toen het boek verscheen was het leuke natuurlijk dat je meteen zag dat er heel ongewone soorten in de stad voorkwamen. Door de drie verschillende waterlagen – zoet, brak en zout – leefden haring, snoek, paling en wolhandkrab zij aan zij.
Een dergelijk boek triggerde de ingenieurs van de stad. Hoe kun je met weinig inspanning sommige diersoorten redden? Zo kwam er aandacht voor fauna-uittreedpassages (FUP) bij sommige grimmige kanalen. Als een ree vroeger in het Amsterdam-Rijnkanaal met zijn onbeklimbare damwanden terecht was gekomen, was het dier nagenoeg ten dode opgeschreven. Ook verschenen er in singels schuine oevers voor eendenkuikens.
Ook is er aandacht gekomen voor vleermuisvriendelijke foerageergebieden door de zogenaamde hop-overs te ontwerpen: hoogopgaand groen of soms zelfs speciale vleermuisschermen. Terreinen die voor sommige vleermuizen te open zijn, kunnen daarmee worden overgestoken.
Of neem de discussie over verlichting in groengebieden. Het donker laten van parken en laanbeplantingen bedient zowel de kleinere vleermuissoorten als de sociale veiligheid: het voorkomt schijnveiligheid. Mensen denken bij parken maar al te vaak: het is hier verlicht, dus is het sociaal veilig.
Maar als er dan toch verlicht moet worden valt amberkleurig led-licht of wit licht waar de ultraviolette straling is uitgefilterd te prevaleren boven de gangbare normale verlichting. De toekomst van de stad wordt meer en meer bepaald doordat ontwerpers door de ogen van dieren leren kijken: van loopkever tot gierzwaluw en van rat tot slechtvalk.
En er is ook aandacht voor de ondergrond. Zo was er het landelijk project City Deal Openbare Ruimte. Daar werd een uitgekiende visie ontwikkeld, waarbij kansen geschapen werden voor vergroting of behoud van biodiversiteit bij groot onderhoud van straten en rioleringsstelsels. Steeds vaker worden er dan ook wortelbunkers aangelegd om het wortelstelsel in de bodem te beschermen om daarmee grote bomen te kunnen ontzien, bomen die vaak het slachtoffer werden van graafpartijen voor glasvezelkabels, warmtenetten of waterbergingen. Naast ingenieurs hebben we hier ook kunstenaars nodig. Kunstenaars en ontwerpers kunnen een grote rol spelen bij het prikkelen van het bewustzijn. Zo toont een grote tekening van een ondergrondse situatie schimmelsystemen en daarmee de kansen voor bodemleven, een werk van drie bij vier meter, van bureau Inside Outside. De tekst bij het werk is desgevraagd: ”De bodem wordt beschouwd als een van de biologisch rijkste habitats op aarde, met een nog grotere biodiversiteit dan bovengronds. Deze rijke biodiversiteit biedt onschatbare voordelen voor het leven op aarde. Het speelt een essentiële rol in de mitigatie van klimaatverandering: het reguleert de temperatuur, produceert zuurstof, slaat koolstof en stikstof op, zuivert water en voorkomt erosie. Om de ‘verborgen biodiversiteit’ van de bodem te beschermen, te herstellen en te ondersteunen, is het van groot belang deze zichtbaar te maken. Het doel van ons onderzoek is het ontwikkelen van een visuele taal die het grote publiek, gebruikers, opdrachtgevers, ingenieurs en architecten inspireert, informeert, enthousiasmeert en begeleidt, zodat een positieve benadering van bodembiodiversiteit wordt ondersteund, gefinancierd en geactiveerd vanuit de organisatie zelf en vanuit alle velden”.

Stad wees lief voor elkaar kent ook een natuurvriendelijke kant: reik elkaar de hand! Want laten we wel zijn: natuur om je heen is meer dan goed voor de gemoedstoestand in een dystopische wereld. Laten we de norm 3-30-300 breed uitrollen. Deze norm, die in 2019 werd bedacht door de stadsbosbouwer Cecil Konijnendijk, behelst dat iedere stadsbewoner vanuit zijn huis minstens drie bomen moet kunnen zien, dat elke wijk onder minstens 30 procent bladerdek moet liggen en dat elk huis maximaal 300 meter van een park of stadsbos moet zijn. Opdat iedere Amsterdammer in de nabije toekomst vanuit huis zestig soorten wilde organismen kan tellen, van boomblauwtje tot boomkruiper en van hoornaarzweefvlieg tot egel.
Verder lezen:
Eerste gids voor natuurinclusief ontwerp, DS-landschapsarchitecten i.s.m. Mathias Lehner (2019)
Tweede gids voor natuurinclusief ontwerp, DS-landschapsarchitecten (2023)
De Wilde stad, KNNV-boek ter gelegenheid van 100-jarig bestaan van de Amsterdamse afdeling, 2001
Stadsnatuur – vergroening verrijkt. Geert Timmermans, Niels de Zwarte e.a. Stichting biowetenschappen en maatschappij (2024)
Stadsnatuur maken, Jacques Vink, Peter Vollard, Niels de Zwarte NAI 010 uitgevers, 2017