Blogs

Het Beoogd Sociaal Veilig Systeem in de praktijk

Door Tobias Woldendorp en Ritsert Huijsman

Over regels, ontwerp en de noodzaak van contextgericht denken

Na onze eerste verkenning van sociale veiligheid en de rol van licht, bespreken we in dit tweede blog de subjectieve aspecten van veiligheid aan de hand van een ontmoeting met David Kloet (landschapsarchitect en partner bij Karres en Brands) door Tobias Woldendorp (senior adviseur RCE bij WoldendorpWildervank) en Ritsert Huijsman (lichtontwerper en design manager bij Studio DL Lighting Design). Waar blog 1 vooral de complexiteit en gelaagdheid van sociale veiligheid adresseerde, gaat dit vervolg over de vraag hoe we daar als ontwerpers mee omgaan in de praktijk.

De verleiding van regels

Sociale veiligheid wordt vaak benaderd via regels, richtlijnen en handboeken. Begrijpelijk, zeker wanneer incidenten de aandacht domineren. Ze vragen om actie, om houvast, om duidelijkheid. Maar juist daarin schuilt het risico van een te snelle vertaalslag naar generieke oplossingen.

Regels zijn per definitie eendimensionaal. Ze komen voort uit specifieke situaties en worden vervolgens veralgemeniseerd. Daarmee verliezen ze hun context. Wat resteert is een set voorschriften die ogenschijnlijk houvast biedt, maar zelden het volledige verhaal vertelt.

In de praktijk zien we dat veel partijen, van gemeentes tot beheerders, zich hier sterk op baseren, waardoor omgevingsgericht denken wordt vermeden en kansen voor integrale oplossingen onbenut blijven. Richtlijnen van onder andere CROW structureren de openbare ruimte voor veilig gebruik, maar leiden ook tot standaardisering. Wat controleerbaar is, krijgt voorrang. Wat moeilijker meetbaar is, loopt het risico een blinde vlek te worden: beleving en sociale veiligheid.

De kern van het gesprek: in geen enkel handboek staat expliciet dat je altijd naar het grotere geheel moet blijven kijken. Terwijl dat juist de essentie is van een sociaal veilige leefomgeving.

Van optelsom naar samenhang

Een belangrijk inzicht uit het gesprek is dat ontwerpen geen optelsom is van regels. Het is ook geen technocratisch proces waarin alle variabelen lineair kunnen worden opgelost, laat staan standaardoplossingen in een matrix nalopen.

Achter elke regel schuilt een intentie. Wie die intentie niet begrijpt, loopt het risico om wel ‘veilige’ oplossingen te realiseren, maar geen prettige of leefbare ruimte. Of scherper: een ruimte die voldoet aan alle losstaande eisen, maar waarin niemand zich echt op zijn gemak voelt.

Dat zien we bijvoorbeeld in verkeerskundige benaderingen waarin functies strikt worden gescheiden, zoals voetgangers en fietsers. Vanuit een juridisch oogpunt geredeneerd logisch, maar in de praktijk kan het juist leiden tot minder levendigheid en minder sociale controle.

Het spanningsveld tussen het ‘harde’ (regels, normen, meetbaarheid) en het ‘zachte’ (beleving, intuïtie, context) is fundamenteel. David Kloet: “In de praktijk wint het harde vaak. Het is toetsbaar en bestuurlijk aantrekkelijk. Maar juist het zachte maakt dat een plek als prettig wordt ervaren.”

Gebouwen met openbare ruimte
Copyright: Sebastian van Damme


De landschapsarchitect als verbinder van belangen, schaalniveaus en tijd

In die complexiteit vervult de landschapsarchitect zijn rol. Niet als vormgever die esthetiek toevoegt, zoals de verwachting nog vaak is, maar als verbinder van perspectieven. Een spil in een netwerk van specialisten, stakeholders en gebruikers.

De landschapsarchitect werkt met regels uit het verleden, maar ontwerpt voor een toekomst die zich nog moet bewijzen. Dat vraagt om interpretatie, om het leggen van verbanden en om het durven afwijken wanneer de context daarom vraagt.

Of, zoals David Kloet zegt: “Je maakt vandaag een ontwerp voor straks, op basis van inzichten van gisteren. Dat vraagt om meer dan toepassen, het vraagt om duiden en empathisch inleven in de vraag achter de regel.”

Secured by design, vanzelfsprekendheid als kwaliteit

Een illustratief voorbeeld is de toepassing van ‘secured by design’, ook wel Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED) genoemd. De toegang tot een gebied wordt niet beperkt door zichtbare, afschrikwekkende beveiligingsmaatregelen, maar juist door subtiele ingrepen die vanzelfsprekend aanvoelen.

David Kloet: “We werken aan veel inpassingsopgaven waarbij we inzetten op het subtiel beperken van de toegankelijkheid. Bijvoorbeeld voor overheidsgebouwen, maar ook het autoluw houden van een woonbuurt. Dat betekent dat je zo ontwerpt dat er een logische aansluiting is op de omgeving, bijvoorbeeld met banken, groen of hoogteverschillen in plaats van zichtbare hekken of paaltjes. Door het in de ontwerpfase mee te nemen voelen deze elementen voor veel mensen als een vanzelfsprekend onderdeel van de omgeving; sommigen hebben zelfs het idee dat ze er altijd al waren. Juist daarin ligt de kracht: veiligheidsmaatregelen die niet als zodanig worden herkend, maar wel degelijk effectief zijn.”

Het tegenovergestelde zien we bij hekken en barrières. Die kunnen fysiek afsluiten, maar versterken vaak juist het gevoel van onveiligheid. Ze maken expliciet dat er iets te vrezen valt.

Ook bij andere veiligheidsopgaven, zoals terrorismebestendigheid, ligt de uitdaging in het vinden van die balans: maatregelen die werken, zonder dat ze het gebruik en de beleving domineren.

Schaal en structuur

Sociale veiligheid ontstaat niet op detailniveau alleen. Ze begint op het niveau van stedenbouw en landschap. Hoe routes lopen, waar functies zich concentreren en hoe overgangszones zijn vormgegeven, bepaalt of mensen elkaar ontmoeten of juist vermijden.

Projecten uit het verleden laten zien wat er gebeurt wanneer die samenhang ontbreekt. In de Bijlmermeer bijvoorbeeld leidde de combinatie van grootschalige infrastructuur en open ruimte tot een omgeving waarin gebruikers zich verloren konden voelen. Te veel ruimte, te weinig sociale verankering.

Daartegenover staat het principe van getrapte collectiviteit: een opbouw van privé naar collectief naar openbaar, waarin geleidelijke overgangen zorgen voor sociale controle en herkenbaarheid.

Onder druk van de actualiteit

Actualiteit kan de balans verstoren. Incidenten, politieke druk of maatschappelijke onrust kunnen ertoe leiden dat één aspect dominant wordt. Vaak veiligheid, begrijpelijk, maar zelden voldoende.

De neiging ontstaat om snel te standaardiseren en alles vast te leggen. Maar juist het volledig dichtregelen van de openbare ruimte kan ten koste gaan van gebruikskwaliteit voor anderen. Kinderen spelen bijvoorbeeld vaak liever op plekken die niet volledig zijn gedefinieerd of geprogrammeerd.

De uitdaging is om die druk te erkennen, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Dat vraagt ook iets van opdrachtgevers en beleidsmakers. Niet het voorschrijven van oplossingen, maar het stellen van de juiste vragen.

De landschapsarchitect zou niet alleen gestuurd moeten worden op meetbare uitkomsten, maar bevraagd op afwegingen.

Het Beoogd Sociaal Veilig Systeem als denkkader

Binnen deze context krijgt het Beoogd Sociaal Veilig Systeem (BSVS) meer betekenis. Niet als nieuwe set regels, maar als manier van denken. In een perifeer gebied luistert het nauw welke routes verlicht worden en welke niet. Oftewel:

Het BSVS helpt om vooraf expliciet te maken wat je wilt bereiken:

  • Voor wie is de plek of route bedoeld?
  • Op welke momenten?
  • Onder welke omstandigheden?
  • En kunnen we routes naast opwaarderen dan ook afwaarderen om schijnveiligheid te voorkomen?

En vooral: hoe verhouden die antwoorden zich tot elkaar?

Het dwingt tot samenhang, tot het verbinden van harde en zachte waarden en tot het bewust omgaan met de spanning tussen verleden, heden en toekomst.

Vooruitblik

In dit gesprek werd ook een lacune zichtbaar. Veel kennis over sociale veiligheid is vertaald naar richtlijnen, maar de diversiteit in beleving van verschillende gebruikersgroepen is daarin nog beperkt vertegenwoordigd.

Dat roept nieuwe vragen op. Wie definiëren we eigenlijk als ‘de gebruiker’? En welke perspectieven blijven onderbelicht? In de volgende blog verkennen we dit verder, met specifieke aandacht voor hoe verschillende gebruikers de openbare ruimte ervaren en waarderen.

Niet meer licht, maar een afgemeten ontwerp

Door Tobias Woldendorp en Ritsert Huijsman

Met deze blog delen we inzichten en vragen die zijn ontstaan in gesprekken tussen Tobias Woldendorp, adviseur sociaal veilig ontwerp en beheer, en Ritsert Huijsman, lichtontwerper. We doen dat als bijdrage aan het gesprek over sociale veiligheid in de openbare ruimte, door kennis te verbinden en verschillende perspectieven samen te brengen.

Aanleiding 

In het publieke debat over sociale veiligheid circuleren veel stellige uitspraken. Ze komen uit uiteenlopende disciplines en worden vaak teruggebracht tot hapklare quotes. Onderbouwing ontbreekt daarbij geregeld. Dat vergroot de kans op misverstanden en schijnoplossingen, zeker wanneer licht wordt gepresenteerd als snelle remedie voor sociaal onveilige situaties.

Door verspringen van op auto’s afgestemde lichtarmaturen naar de middenberm ontstaan zwarte gaten waar de fietser in fietst.

Reflectie en kans

Tegelijkertijd zien we dit als een moment om het belang van de openbare ruimte opnieuw te benoemen. In een tijd waarin sociale media een groot deel van het publieke debat en contact bepalen, wordt fysieke nabijheid steeds schaarser. Juist de openbare ruimte kan een plek zijn voor ontmoeting, nuance en wederkerigheid. Daarmee vormt zij een belangrijk tegenwicht voor de gepolariseerde dynamiek van het online domein.

Objectief en subjectief

Registraties van criminaliteit, zoals fietsendiefstal, autokraak, beroving, inbraak en vernieling, zijn tot op zekere hoogte meetbaar. Dergelijke gebeurtenissen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid. De beleving van veiligheid laat zich echter veel minder eenduidig duiden. Zij is context-, persoons- en tijdsafhankelijk en laat zich niet vangen in vaste cijfers.

Avondschouw met auteurs, op snijvlak sociaal veilig ontwerpen en licht: een onderdoorgang staat nooit op zichzelf. De beleving begint voor de tunnelmond en loopt door tot na de passage. Herken je gelaatsuitdrukkingen, weet je hoe je vervolgtraject eruitziet?

Checklists en richtlijnen kunnen helpen als inspiratie of aandachtspunt, maar het subjectieve gevoel van sociale veiligheid laat zich moeilijk vertalen naar technische normen. Sociale veiligheid is onderdeel van een complexe ontwerpopgave, waarvan het resultaat pas achteraf in de praktijk kan worden ervaren. Juist daarom is het van belang om sociale veiligheid gedurende het ontwerpproces expliciet te onderzoeken, te bespreken en te toetsen, in meerdere fasen en vanuit verschillende perspectieven.

Onderdeel van de ontwerpopgave

Sociale veiligheid vraagt om aandacht in alle ontwerpfasen, van schetsontwerp tot voorlopig en definitief ontwerp. Niet via één norm of checklist, maar binnen expliciete kaders en in gesprek met relevante experts. De context is daarbij bepalend. Een fietspad in het buitengebied, los van een rijweg en zonder informele ogen in de avonduren, kan heel anders worden beleefd dan een route door de bebouwde kom, langs voortuinen en met toezicht vanuit langzaam rijdend verkeer.
 

Denkrichting, het Beoogd Sociaal Veilig Systeem

Als denkrichting introduceren we het Beoogd Sociaal Veilig Systeem. Dit is een manier om vooraf expliciet te maken welk sociaal gebruik en welke beleving van veiligheid op een plek wordt nagestreefd, als onderdeel van een groter geheel. Voor wie is de ruimte bedoeld, op welke momenten en onder welke omstandigheden? In deze en volgende blogs werken we dit kader verder uit en toetsen we het in gesprekken met experts uit aangrenzende vakgebieden.

Landschap en stedenbouw

Sociale veiligheid begint bij ruimtelijke keuzes. Door routes zo te organiseren dat mensen elkaar vaker tegenkomen, ontstaan meer ogen op de ruimte, ook in de nacht. Dat vraagt om het ontwerpen van landschap en openbare ruimte met aandacht voor het gebruik na zonsondergang. Licht speelt daarin een rol, maar is nooit het enige middel. Soms is juist de afwezigheid van licht betekenisvol. Denk aan een route door een stedelijk bospark, waar overdag intensief recreatief gebruik plaatsvindt, maar waar je in de avond en nacht niet per se wilt uitnodigen tot verplaatsing.

Goed licht en het voorkomen van schijnveiligheid

‘Goed licht’ wordt vaak genoemd als snelle oplossing bij sociaal onveilige situaties, maar het is geen universeel recept. Licht kan niet worden gebaseerd op normen of richtlijnen alleen, die vooral verkeersveiligheid adresseren en geen garantie bieden voor een positieve beleving of een gevoel van veiligheid. Onzorgvuldig toegepast kan licht zelfs schijnveiligheid creëren: een goed verlichte plek kan veilig lijken, terwijl de context dat niet ondersteunt. Het werkt pas echt wanneer het onderdeel is van een beoogd sociaal veilig systeem, afgestemd op de omgeving, het gebruik en de aanwezige sociale controle, en zo een versterkend element vormt binnen het grotere geheel.

Placemaking, het vergroten van eigenaarschap, kan een bijdrage leveren aan sociale veiligheid als de route ook dé veilige avondroute is; anders draagt het eerder bij aan schijnveiligheid.

Vooruitblik

Deze blog vormt een eerste verkenning. In volgende blogs verdiepen we het Beoogd Sociaal Veilig Systeem en toetsen we het aan de praktijk, in gesprek met experts uit ontwerpende en andere disciplines.

Foto’s van auteurs

Natuurvriendelijk bouwen

Dit blog is op te vatten als een persoonlijke voorstudie voor het hoofdstuk Het nieuwe bouwen met de natuur als leidraad, dat is verschenen in het boek Wild Amsterdam – De natuur van de stad ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum van de KNNV-afdeling Amsterdam (R. Biersma, G. Timmermans, G. Muller, F. van der Heide, P. Wetzels, S. Leefsma & T. Woldendorp). Het boek is op 26 januari 2026 verschenen bij Uitgeverij Noordboek.

Tijdens de voorbereiding kwam er zo’n rijke oogst aan ideeën en beelden naar boven, dat ik dit niet verloren wilde laten gaan. Het doet daarnaast recht aan de ontwerpers, kunstenaars en fotografen die belangeloos materiaal hebben afgestaan, en aan geïnterviewden.

Eind 2024 zaten we midden in een vervreemdende fase. Eerder regeringsbeleid had ervoor gezorgd dat bij nieuwbouw vleermuizenkasten, gierzwaluwstenen en mussennesten gangbare en geaccepteerde zaken waren geworden. Deze diervriendelijke voorzieningen waren zelfs in het bouwbesluit opgenomen.

Maar Mona Keijzer, de nieuwe minister van Woningbouw en Ruimtelijke Ordening, vond die ingebouwde nesten allemaal maar onzin. We bouwen immers voor de mensen, al die natuurregelingen werken louter vertragend, waren haar woorden. Zij wilde de wetgeving van haar voorganger Hugo de Jonge terugdraaien.

Maar daar had de minister buiten de waard gerekend. Veel bouwbedrijven hadden het natuurvriendelijk bouwen inmiddels al als credo in hun bedrijfsethiek opgenomen. Heijmans en Van Wijnen bijvoorbeeld, gaven te kennen gewoon met kasten en nesten door te gaan. 

En inmiddels heeft ook de wal het schip gekeerd. In de Tweede Kamer is – weliswaar met één stem verschil – het antivogelbesluit van de minister teruggedraaid.

De afgelopen vijfentwintig jaar is er veel aandacht geweest voor het vergroten van biodiversiteit in de stad. Een korte geschiedenis in herinnering: zelf heb ik als ontwerper van de Vierde Nota Extra (Vinex) gewerkt aan het Wateringse Veld in Den Haag. Landschapsarchitecten namen daar het voortouw naar een nieuwe manier van ontwerpen met ecologie als uitgangspunt. Zo werden er bezoeken afgelegd aan het Morra Park bij Drachten, waar vloeivelden met biezen een waterzuiveringsysteem vormden, een systeem dat gekoppeld was aan de buurt. Dit systeem vormde een voorloper voor veel nieuwe ontwikkelingen. Denk daarbij aan de hoogbouw tegen de ring in Amsterdam-Noord (Parkstrook langs de A10). Uit deze Vinex is IJburg voortgekomen: IJburg, waar onderwaterbanken voor driehoeksmossel en huismussennesten in gevelstenen uit zijn voortgekomen. 

Eerder, en dan hebben we het over 1975, waren er landelijk ook al pogingen om op een andere manier met groenvoorzieningen om te gaan. Natuur uitschakelen, natuur inschakelen van Louis Le Roy is een bekend voorbeeld van holistisch experimenteren met verandering. Maar de natuur is dan nog geen nog ontwerpmiddel, zoals het vandaag de dag wél is. Een verkenning in Amsterdam. Neem de tenders (ontwerpprijsvragen) tussen 2015 en 2024. De gemeente zette bouwenveloppes uit waar marktpartijen op konden intekenen. Om zich te onderscheiden van andere partijen zochten projectontwikkelaars de randen van het mogelijke op. Zo won geregeld een partij, waar naast de projectontwikkelaar B4L en de architect, landschapsarchitecten en ecologen meedachten. Zoals bij de gewonnen tender Juf Nienke, een bijzonder houten wooncomplex als entree bij het Centrumeiland IJburg. DS-landschapsarchitecten ontwierp samen met architect SEARCH/Rau, speciaal een vleermuizenhotel op dit scharnierpunt tussen stad en landschap[i].


[i] Building 4 life won in december de Zuiderkerkprijs. Met als landschapsarchitect Dijk &Co en architecten FARO en Michael van Bergen. Van meet af aan was ik betrokken op het aspect sociale & culturele duurzaamheid.

Vleermuizenhotel op appartementencomplex Juf Nienke, Centrumeiland (Foto Joost van de Weg)

Ook bij de gewonnen tender De Koffiefabiek in Amstel III  van projectontwikkelaar Lister, waar kantorengebied aan de rand van de Amstelscheg wordt getransformeerd tot een circulair vormgegeven woongebied, is gebouwd volgens een natuurvriendelijk concept. Dit kantorengebied krijgt straks volop broedkansen voor soorten als zwarte roodstaart, gierzwaluw en huismus. In de gevels zijn broedlocaties voor de dwergvleermuis aangebracht.

Diagram kansen voor organismen (Bron: BOOM-landschapsarchitecten)

Maar echt interessant wordt het met de door de landschapsarchitecten opgestelde ecologische visie. Langs het water komen gele lissen, aantrekkelijke planten voor meervleermuizen.

De Groene warande biedt nestgelegenheid voor Turkse tortel en foerageergelegenheid voor vlinders als Boomblauwtje. Ook de bosuil wordt bediend met nestkasten aan het gebouw. Niet vreemd als je bedenkt dat Volkstuinencomplex Amstelzicht ongeveer de buurman is. De vele besdragende struiken in de luwte van het binnengebied bieden in het winterhalfjaar volop voedsel voor huismus, merel en groenling.

Waar dienen we op te letten bij natuurinclusief bouwen, of zoals sommigen in het veld het liever noemen: natuurvriendelijk bouwen?

Ten eerste vergt het een andere manier van denken. De stad niet meer te zien als barrière, maar als een rotsmassief. Zo is een kantoortorenrijk gebied als de Zuidas een biotoop waar slechtvalken graag  broeden. Net als in het wild leggen ze een paar eieren hoog op een richel. Dat de kantoormens dit niet kan aanzien op de achttiende verdieping is een ander verhaal. Er moesten slechtvalkkasten komen. Het monitoren van broedgedrag heeft bijgedragen aan de populariteit van de slechtvalk in Amsterdam.

Ook een spoordijk hoeft geen obstakel te zijn. Zo’n dijk kan een belangrijke verbinding vormen tussen landschappen en daarmee gepaard gaande biotopen. Te denken valt aan kleine zoogdieren als veld- en woelmuizen, aan marterachtigen als hermelijn, wezel en ja, zelfs das en vos. Ook begeleidende watergangen van een spoordijk spelen een rol. Denk daarbij aan ringslangen, die de barrières volgen en als koudbloedige dieren aan de zonnige zijde gebruik maken van opwarmplekken.

Waar moet je nog meer op letten bij natuurvriendelijk bouwen? Je moet eigenlijk overzicht hebben van alle aspecten die een rol spelen in het plannen van openbare ruimte en gebouwen. Dat we de komende jaren te maken krijgen met het tegengaan van hittestress is een belangrijke component.

Ten derde moet je bewustzijn bij burger en bij bestuur ontsluiten. Dat er in 1991 een boek als Haring in het IJ, de verborgen dierenwereld van Amsterdam verscheen was toevallig. Er was kennis over de dierenwereld in en om Amsterdam, maar er was nog geen platform vacant. Geert Timmermans en Martin Melchers begonnen met het vastleggen welke vissen in de Amsterdamse wateren voorkwamen en welke soorten er voorkwamen in de verstedelijkte omgeving. Toen het boek verscheen was het leuke natuurlijk dat je meteen zag dat er heel ongewone soorten in de stad voorkwamen. Door de drie verschillende waterlagen – zoet, brak en zout – leefden haring, snoek, paling en wolhandkrab zij aan zij.

Een dergelijk boek triggerde de ingenieurs van de stad. Hoe kun je met weinig inspanning sommige diersoorten redden? Zo kwam er aandacht voor fauna-uittreedpassages (FUP) bij sommige grimmige kanalen. Als een ree vroeger in het Amsterdam-Rijnkanaal met zijn onbeklimbare damwanden terecht was gekomen, was het dier nagenoeg ten dode opgeschreven. Ook verschenen er in singels schuine oevers voor eendenkuikens.

Ook is er aandacht gekomen voor vleermuisvriendelijke foerageergebieden door de zogenaamde hop-overs te ontwerpen: hoogopgaand groen of soms zelfs speciale vleermuisschermen. Terreinen die voor sommige vleermuizen te open zijn, kunnen daarmee worden overgestoken.

Of neem de discussie over verlichting in groengebieden. Het donker laten van parken en laanbeplantingen bedient zowel de kleinere vleermuissoorten als de sociale veiligheid: het voorkomt schijnveiligheid. Mensen denken bij parken maar al te vaak: het is hier verlicht, dus is het sociaal veilig.

Maar als er dan toch verlicht moet worden valt amberkleurig led-licht of wit licht waar de ultraviolette straling is uitgefilterd te prevaleren boven de gangbare normale verlichting. De toekomst van de stad wordt meer en meer bepaald doordat ontwerpers door de ogen van dieren leren kijken: van loopkever tot gierzwaluw en van rat tot slechtvalk.

En er is ook aandacht voor de ondergrond. Zo was er het landelijk project City Deal Openbare Ruimte. Daar werd een uitgekiende visie ontwikkeld, waarbij kansen geschapen werden voor vergroting of behoud van biodiversiteit bij groot onderhoud van straten en rioleringsstelsels. Steeds vaker worden er dan ook wortelbunkers aangelegd om het wortelstelsel in de bodem te beschermen om daarmee grote bomen te kunnen ontzien, bomen die vaak het slachtoffer werden van graafpartijen voor glasvezelkabels, warmtenetten of waterbergingen.  Naast ingenieurs hebben we hier ook kunstenaars nodig. Kunstenaars en ontwerpers kunnen een grote rol spelen bij het prikkelen van het bewustzijn. Zo toont een grote tekening van een ondergrondse situatie schimmelsystemen en daarmee de kansen voor bodemleven, een werk van drie bij vier meter, van bureau Inside Outside. De tekst bij het werk is desgevraagd: ”De bodem wordt beschouwd als een van de biologisch rijkste habitats op aarde, met een nog grotere biodiversiteit dan bovengronds. Deze rijke biodiversiteit biedt onschatbare voordelen voor het leven op aarde. Het speelt een essentiële rol in de mitigatie van klimaatverandering: het reguleert de temperatuur, produceert zuurstof, slaat koolstof en stikstof op, zuivert water en voorkomt erosie. Om de ‘verborgen biodiversiteit’ van de bodem te beschermen, te herstellen en te ondersteunen, is het van groot belang deze zichtbaar te maken. Het doel van ons onderzoek is het ontwikkelen van een visuele taal die het grote publiek, gebruikers, opdrachtgevers, ingenieurs en architecten inspireert, informeert, enthousiasmeert en begeleidt, zodat een positieve benadering van bodembiodiversiteit wordt ondersteund, gefinancierd en geactiveerd vanuit de organisatie zelf en vanuit alle velden”.

”Living Soil”, Inside Outside, gesteund door The Creative Industries Fund NL

Stad wees lief voor elkaar kent ook een natuurvriendelijke kant: reik elkaar de hand! Want laten we wel zijn: natuur om je heen is meer dan goed voor de gemoedstoestand in een dystopische wereld. Laten we de norm 3-30-300 breed uitrollen. Deze norm, die in 2019 werd bedacht door de stadsbosbouwer Cecil Konijnendijk, behelst dat iedere stadsbewoner vanuit zijn huis minstens drie bomen moet kunnen zien, dat elke wijk onder minstens 30 procent bladerdek moet liggen en dat elk huis maximaal 300 meter van een park of stadsbos moet zijn. Opdat iedere Amsterdammer in de nabije toekomst vanuit huis zestig soorten wilde organismen kan tellen, van boomblauwtje tot boomkruiper en van hoornaarzweefvlieg tot egel.

Verder lezen:
Eerste gids voor natuurinclusief ontwerp, DS-landschapsarchitecten i.s.m. Mathias Lehner (2019)
Tweede gids voor natuurinclusief ontwerp, DS-landschapsarchitecten (2023)
De Wilde stad, KNNV-boek ter gelegenheid van 100-jarig bestaan van de Amsterdamse afdeling, 2001
Stadsnatuur – vergroening verrijkt. Geert Timmermans, Niels de Zwarte e.a. Stichting biowetenschappen en maatschappij (2024)
Stadsnatuur maken, Jacques Vink, Peter Vollard, Niels de Zwarte NAI 010 uitgevers, 2017

De toegankelijke poort naar de stad

Binnen een week doorkruiste ik twee bijzondere Europese stationsomgevingen: van hellingbaan naar megalomaan in Limburg en in Polen.

Maankwartier van Michiel Huisman

Laat ik beginnen met die in Heerlen, die ik bezocht van 18 -20 oktober. Ik was met partner een lang weekend in de stad en was al tijden nieuwsgierig naar het Maankwartier, de opgewaardeerde stationsomgeving van Limburgs’ tweede stad. Bijkomstigheid was dat ik mijn stage vanuit de Middelbare Tuinbouwschool in Frederiksoord bij de Rijks Geologische Dienst in 1976 gelopen had. Ik was benieuwd of ik na vier decennia nog wat elementen van de stad zou herkennen.

Dat bleek weinig, nu ja Glaspaleis Schunck natuurlijk, destijds nog warenhuis, nu cultureel hart van de stad, maar de stationsomgeving in ieder geval niet. Ik was er in de tijd dat Lange Jan en Lange Lies, de schoorstenen van de Oranje Nassaumijnen opgeblazen werden en de sfeer, ook door de sluiting van de mijnen, op straat nogal grimmig was. Zeker in de Stationsstraat was sociale veiligheid in mijn studentenjaren geen sinecure, en al leken het stationsgebouw en omgeving enigszins op dat van Maastricht, de sfeer was er ronduit minder. Wel fijn dat ik nog een hard copy stadsplattegrond uit 1972 bij me had, om me nog enigszins op het verleden te kunnen oriënteren.

Hoe anders is dat nu. Geef een bevlogen kunstenaar de vrije hand en die zet de stad zo op de culturele kaart. Het heeft enige jaren geduurd voordat de plannen van Michiel Huisman, kunstenaar en uitvinder en zelfbenoemd morfoloog, gerealiseerd werden. De eerste ideeën werden geboren in 2002, precies tien jaar later werd met de bouw begonnen en dit jaar voltooid. Al is voltooid een groot woord, want Huisman lijkt nooit klaar te zijn met plannen. In het geval van het Maankwartier wil hij aanloopstraten naar het station verlevendigen door de strijd met de winkelleegstand aan te gaan, zo las ik tijdens mijn verblijf in de lokale media. Identiteit heeft het complex zeer zeker. Vooral de Zonnetoren is in de avonduren een schitterend baken.

Opvallend steile hellingbaan

Opvallend is dat je vanuit perronniveau aankomt en met stijgpunten of lift naar boven gaat, naar een stationshal op plus 2. De hal gaat over in een plein, met een opvallende hellingbaan die, als het ware als de tong van de kameleon, de Saroleastraat naar het centrum in loopt. Het doet me sterk denken aan het kasteel waar in de film van Tim Burton, Edward Scissorhands (Johnny Depp) in woont en waar een sterke hellingbaan in een wijk terechtkomt met pastelkleurige laagbouw. De hellingbaan is totaal onverantwoord: tijdens de afdaling zag ik een oudere vrouw omhoog zwoegen. Een hellingspercentage van 1:20 is echt het maximum wat een mens met fysieke beperking aankan. Ik denk dat de weg onder een helling van 1:4 is ontworpen. Parallel, maar uit de zichtlijn, loopt een roltrap en je mag hopen dat ergens een lift is opgenomen. Ik weet zeker dat je als landschapsarchitect een dergelijke oplossing nooit door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zou krijgen, maar een kunstenaar staat boven de wet. Het zal mij benieuwen of deze oplossing er over drie jaar nog is. Spectaculair is het in ieder geval wel.

Megalomaan station Lodz Fabryczna

Precies een week later stapte ik uit de trein in Lodz Fabryczna, het met veel EU-geld opgetuigde nieuwe station in deze Poolse voormalige textielstad. Eerder dit jaar, toen ook net als nu drie dagen workshops aan de Politechnische Universiteit gaf over sociaal veilig ontwerpen, had ik me al verbaasd over het megalomane karakter van het station. Hoe anders dan de eerste keer dat ik hier per trein aankwam (november 2011) en het er uitzag als station Heerlen 1976.

Je komt aan op min 2, stapt de lift in en arriveert dan op min 1. Min één? Ik wil naar niveau nul. Maar nee, de lift gaat niet verder. Het lijkt de bedoeling van de architect, studio Systra, een Frans ingenieursbureau, dat je je na een hellingbaan van een kleine driehonderd meter (1:3000) beweegt door een lege hal, zeer overdadig modern gedecoreerd. Je ziet nog steeds niet waar je bent, en heel langzaam duiken de contouren van de door MVRDV ontworpen kantoorgebouwen op. Eenmaal buiten zet de hellingbaan zich nog enkele honderden meters voort en pas dan heb je zicht op de stad. Ik denk niet dat hier een landschapsarchitect bij betrokken is geweest. Ik draai me om en vraag me af wie er toezicht houdt op de verdeling van EU-gelden.

Want tegelijk duikt het beeld op van dat andere station: Lodz Kaliska. Dat ligt er nog steeds bij als station Heerlen in 1976, terwijl dit eigenlijk een veel centraler gelegen station is. Tenminste, als je ervan uit gaat dat een station niet alleen toeristen moet bedienen, maar ook de mensen die hoofdstedelijk wonen en dringend de auto uit moeten om over te stappen op OV en om hen tevens te bevrijden van de spaghetti-infrastructuur, waar het station mee is omwikkeld.

Housing Policy, another approach

Ing. Tobias Woldendorp RCE, Amsterdam, Netherlands

I initially began my career as a landscape architect.  I have been working on both urban planning and architecture assignments for the last thirty years and my role as a landscape architect has changed from mediator to consultant.

Working for the city of The Hague in the early nineties, I analysed situations from the point of view of a manager, public transportation carrier, ecologist, urban planner, or politician. To specify the last role: both the city of The Hague and the smaller village of Wateringen were supposed to develop a new housing development, a large suburbanisation-assignment. In the beginning, the dwellings at their borders were designed with the rear facades adjacent to one another. The team of landscape architects pleaded for a more metropolitan approach, with the possibility of developing one front facade. After some resistance, this political decision was adopted. Consequently, public space became a reverse-template to the housing layout.Twenty years on, I have continued working in the fields of urban planning, landscape architecture and residential architecture. As a consultant I was:

  • working with children and youngsters living in the completed phase-one IJburg district development in Amsterdam to discover their views of the neighbourhood and to improve the quality of life implement the results in phase two;
  • occupied with how to create  new housing developments based on the principles of Healthy Urban Living. This principle was used to create shared space that is accessible to everyone;
  • Working on accessibility and safety, developing friendly viaducts, tunnels and flyovers in metropolitan areas, making it possible for children and youngsters to safely travel from their homes to school or leisure and sports activities. Also in winter, all by bicycle of course;
  • connecting potential ecological infrastructure to recreative co-use.

Which statements did I want to make in the panel about housing policy as a landscape architect and consultant?

1) Developers and road constructors should become managers: according to the DBFM model (Design, Build, Finance, Maintain), a major advantage is that soft aspects of development such as manageability, durability, design  for life long use,  social safety and crime prevention are deployed in the initial phase on the one hand to improve the financial basis for maintenance and on the other hand to increase the possibility for public space identity, involvement and management.

2) Do not demolish any vacant building. Leave the gate of an abandoned building slightly ajar, put a bowl of olives and a bottle of wine on a table and see who will sit down and take on the accompanying hardships. Spaces set aside for creativity play an essential role in the process of gentrifying existing areas.  Lure hipsters! Temporary users also increase the value of the land. When buildings are adopted in such an organic way, the government must address any adjacent public space. That, in turn, attracts social developers.

3) Place users and those with particular expertise at the forefront of urban development: consider a Public Private Collaboration (PPBS), which involves the contribution of a village delegation to the development of an area or infrastructure. Think of the contributions that junkies and drunkards, members of a project group’s client council, can make to design of a newly built homeless shelter. A third example is for police academies to train officers to become Architectural Liaison Officers and, to develop Police Label Safe Housing, as is the case in the UK, the Netherlands and Germany.

Back to the forum!

A reality-check (1):

We didn’t really speak about  housing in the forum. We mostly discussed developing offices, shops, business districts and accessibility (by car).

In the Netherlands, the role of a developer is to take care of maintenance of newly developed housing areas for approximately twenty years. In earlier times (before the banking crisis), developers had their housing project built, drank champagne and drove their Ferrari on the way to a new building challenge.  I had the idea that thinking about maintenance, user friendly public realm was not yet applicable to the situation in Poland. An integral way of thinking, thinking beyond building construction only, was not yet a consideration. ”You were the only one in the forum that has tried to tell a story about housing, not about developing” said dr.Iván Tosics,  Director of the Metropolitan Research institute, Budapest, who sat in the public.

Reality-check (2):
When I was in Stary Maneż last year I was very happy to see that the old buildings were being re-used, and that the public space was laid out in a very suitable and sustainable way. Some of the buildings were still empty, waiting for new users.  This year I revisited the complex and was shocked to find demolished sheds and halls, and new architecture encroaching from the north.

Result: too much of the same. Too much space set aside for parking cars instead of qualitative public space . Hipsters were not part of the forum’s focus group ( “white collars”), which was attempting to focus their attention towards housing policies.

  • What Poland needs is to focus on the softer aspects of housing policy. In Poland, people should get out of their cars and bike to work, school, leisure activities, etc. That is good for health, weight control, the climate. It will also bring about an increase in public transportation and a need for a higher quality of public spaces. And: approached in combination these are all aspects from the Urgenda, (Amsterdam 2016). If a city is in balance with its soft aspects, it will become a happy city (acknowledging Martin Sim’s lecture earlier that day).
  • Poland should open the borders for refugees. In 2017, 16 Syrian asylum seekers were allowed in. In a nearby future, Poland, as well as The Netherlands, Germany and others countries, will need to employ newcomers. There is a good chance that when I’m 80 years old, I will be very glad to be washed and dressed by a former refugee. Poland will also have to anticipate in this in the nearby future. Especially when an increase in refugees is expected in the coming years, metropolitan housing has to anticipate on that process.
  • Invest in ecological networks. Every child has the right to see a butterfly, a hedgehog, a squirrel, to pet a lamb. It is therefore evident that new urban design of cities result in Smart Metropolia, ones that are connected to robust green structures in neighbourhoods.

Back to the olives and wine. It would have been a very good idea for the moderator, who recently bought an old sugar factory in his village, to have asked the five panellists how to deal with its development. Due to soil pollution, his solution was to demolish the factory and to create a park. My solution would have been to maintain the factory-building, open the gates, place a table and some chairs in the yard and see who was willing to come and invest in to “take on the convenience”.

A good business model is the Westergasfabriek in Amsterdam: contaminated soil under the former gasworks made it unusable for housing, but all kinds of creative entrepreneurs came to the site and have made it a resounding success. That, in turn, made it interesting for housing development in the neighbourhood.  It is now one of the best places to live in greater Amsterdam. And that within ten years.

Reality-check (3):

On the first day of the congress,  I joined a forum about social relations. It was remarkable to hear the intention for participation. But what remained with me mostly concerned discussions, listening to the public instead of true participation.

True participation is, for me,  joining a steering committee, joining a walk through the neighbourhood where new additional housing should be developed. Next year, I expect a physically disabled person to be on the podium. Next year, I expect a walkabout /field survey with various stakeholders, as well developers and users of public space, to develop a common language in the field.

With addition of  junkies and alcoholics to a project group. How realistic is that in Poland? Well, there are alcoholics, as well as junkies, and all sorts of addicted persons, who need to be taken care of. Society has to take care of them and establish care centres for this group in the city, in the metropolitan area. Give them a chance think about their environment. They are experts. They know what they need to improve their quality of life.

Last but not least: is Poland already for a so-called Police Label Safe Housing? A manual for creating save neighbourhoods?  Not yet, eight years after training police officers at the Police Academy in Szczytno, where I and some colleagues trained police officers to become  Architectural Liaison Officers,  in other words, crime prevention building plan consultants. Shortly before the Smart Metropolia Congress,  I asked the dean in Szczytno, Mr Krzysztof Łotek, if the Police Label Safe Housing was already implemented in Poland? And he answered “ we do have not any formal crime prevention strategy in order to implement CPTED, nor any clone of Police Label Safe Housing, but…. in our academy, CPTED is a subject which is part of  the curriculum for an internal security bachelor degree”.

The challenge is there: we can pick up various aspects to firm housing-policy in  the nearby future. Regardless of how that is regulated by higher authorities: we can commit a bottom up-process to strengthen the top down approach. Nadzieję że. Hope rise.

Gdansk, November 29th 2017

De beweegvriendelijke stad

De organisatie had iedereen opgeroepen met de fiets of het OV naar een minisymposium over de beweegvriendelijke stad te komen. Dus zat ik ruim een uur voor de bijeenkomst in een bedrijfsverzamelgebouw in Amsterdam Zuidoost al op de fiets. Want Oud-West, waar ik werk, is dan best ver weg. Onderweg had ik ruim de gelegenheid om na te denken over de vraag welke maatregelen in de openbare ruimte genomen kunnen worden om gebruikers te stimuleren te bewegen en gezond te leven. Een lastige, ook wat abstracte vraag, waar ik tijdens het fietsen vrij snel enkele antwoorden op had. Lees verder “De beweegvriendelijke stad”

Voormalig westerse ogen bekijken voormalig oost

“Maar mijnheer, u hebt gemakkelijk praten, u kijkt met westerse ogen naar onze sleetse openbare ruimte!” zegt moderator en editor- in chief van Gdansk.pl portal, Roman Daszczyński.

Ik heb zojuist als panellid van Metropolitan Space een inleiding  gegeven over Sociale veiligheid (CPTED) als bouwsteen voor ruimtelijke kwaliteit. Als antwoord neem ik Daszczyński en de zaal mee in een gedroomde wandeling door de hanzestad, houd een gloedvol betoog over hoe ik als buitenlandse gast altijd op de eerste avond mij de openbare ruimte in een Poolse stad eigen maak. Lees verder “Voormalig westerse ogen bekijken voormalig oost”

Omgevingswetmatigheden

Deze zomer, op 8 juli, stapte ik in de stromende regen uit een bus die me van Uitgeest naar Heemskerk had gebracht. Samen met een student met smartphone, maar zonder paraplu, liep ik naar het kasteel, waar in de Stay Okay een speciale bijeenkomst was van het Kennislab voor Urbanisme. Onder leiding van hoofdlaborant Willem Jan Wesselink werden daar de aanwezigen in een middag bijgepraat over de op handen zijnde Omgevingswet. Lees verder “Omgevingswetmatigheden”